In deze rubriek vindt u ingezonden brieven die niet of verkort in het blad werden opgenomen in volledige versie.
Staat van het theater / Opinie & debat / TM april 2010 / Reactie op Staat van het Theater 2009
Een klaagzang vol valse akkoorden
Door Marian Boyer
Is de wanhopige toneelschrijver een blijvertje? Een nuancering.
De emancipatie van de toneelschrijfkunst is een feit: dat zou de lezer kunnen concluderen uit de tweedelige, maar liefst vier pagina’s tellende redactionele aandacht die het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad van 8 januari aan het metier besteedde. In december gunde TM de stiel een nog royalere plaats, met een bijna volledige editie gewijd aan Pierre Audi’s Staat van het Theater, toegespitst op diens passages over de plaats van de toneelauteur in de Nederlandse podiumkunsten. Heeft de toneelschrijverij daarmee definitief haar plaats veroverd als een volwassen onderdeel van onze podiumkunsten, met een daarbij behorende ter zake kundige analyse waarvan de lezer kan kennisnemen? We moeten toch vrezen van niet.
Als toneel- en romanschrijver en als voormalig artistiek leider van het Platform Theaterauteurs (en vanuit die laatste functie pleitbezorger van de hedendaagse Nederlandse toneelschrijfkunst) kan ik me in de netto opbrengst van de recente aandacht maar voor een deel vinden. De polemische bijdragen in TM worden hopelijk vervolgd: het is de start van een ‘poging tot verklaring van een rijkdom’ – om Ben Stromans bekende titel over de toneelschrijfkunst te parafraseren. Het recente CS-artikel van Wilfred Takken biedt daarvan een redelijk overzicht, maar wordt bijna tenietgedaan door het tweede deel van Kester Freriks. Dit komt grotendeels neer op de notitie van een klaagzang in een register dat al veel langer dan vandaag bekend is, in een toonzetting die bovendien een aantal valse akkoorden aanslaat. Hoe goed zou deze journalistieke ruimte niet zijn besteed, mocht de lezer niet alleen kennisnemen van de aangehaalde historische vergissingen maar ook van de uitzonderlijke bloei en veelstemmigheid van het genre, zodat eindelijk iets belangwekkends kan worden toegevoegd aan de eeuwige litanie van mislukking en misverstand?
Beproefd recept
In bedoeld artikel worden welgeteld één regisseur, één artistiek leider en drie schrijvers geciteerd, terwijl nergens ter wereld de toneelschrijfkunst zo divers van karakter is en zoveel beoefenaars kent als in ons land. De artistiek leider, Ronald Klamer, heeft naar eigen zeggen al vele romanschrijvers en dichters uitgenodigd stukken aan hem te leveren, met evenzoveel gesneefde resultaten. Het jaar 2004 was wat dat betreft een dieptepunt. Maar liefst vijftien opdrachten gingen de deur uit. Als ik het goed heb begrepen zijn die allemaal op niets uitgelopen. Vijftien opdrachten uitgeven en dan met niets thuiskomen! Dat mag een prestatie op zich heten. Maar als we Klamer moeten geloven heeft dat niet aan hem gelegen, gezien zijn inzet deze auteurs ook te begeleiden – zo haast een der schrijvers zich ijverig te zeggen. Klamer kan er dus niks aan doen dat zijn jarenlange investeringen tot niets en erger hebben geleid: pijnlijke brouilles, wederzijdse frustratie en toneelmislukking waren zijn deel. In arren moede heeft de artistiek leider zich uiteindelijk gewend tot de beproefde recepten.
Zou het echt? Hebben alle uitgenodigde schrijvers uitsluitend rommel geleverd, of zou het kunnen dat Klamers strategie niet heeft gedeugd? Hoe vaak stoot de ezel zich ook weer aan dezelfde steen voor hij zijn les trekt? Een keertje toch maar? Staat de Nederlandse toneelschrijfkunst niet ‘gewoon’ in een eeuwenlange traditie van spelers, schrijvers en regisseurs die hun bijdrage aan het repertoire leveren, net zoals elders en vroeger Shakespeare, Pinter, Beckett, Claus, Thomas Bernhard en al die anderen meer of minder direct aan het toneel gelieerde auteurs dat al eeuwenlang hebben gedaan? En bestaat onze praktijk niet uit een veelstemmig idioom dat de hedendaagse toneelliteratuur der lage landen definieert, van Van Warmerdam tot De Rijke en Wittenbols, van De Graaf, Goos en Vekemans tot Rijnders aan toe, en van De Graef tot Lanoye – schrijvers die allen nauw aan de opvoeringspraktijk werken, vaak met teksten die hun literaire waarde hebben bewezen? Is de auteur die twee of meer genres beoefent hier niet eerder uitzondering dan regel?
Nog wat duidelijker: kiest Klamer dezelfde strategie als hij voor zijn gebit een tandarts nodig heeft en gaat hij dus naar een gerenommeerd internist, om achteraf te klagen dat de kiespijn niet over is? De medische stand ziet een eventuele zaak van Klamer, denk ik, met het volste vertrouwen tegemoet.
Schroothoop
Literaire namen met prestige op de flyer staan leuk, maar de schade die met loze strategieën wordt aangericht is dat niet. Ik denk niet dat het de romanschrijver of dichter en diens teksten zijn die dankzij Klamers werkwijze, zoals hij het noemt, ‘door hun hoeven zakken’. Ik vrees dat Klamer in zijn idealisme en in wat hier zijn vernietigende nieuwsgierigheid moet worden genoemd een paar fundamentele stappen overslaat.
Eerst en vooral is daar het onderscheid tussen een autonoom en een uitvoerend werk. Wanneer de in het artikel aangehaalde auteur Wanda Reisel bij hem komt met een afgeronde toneeltekst en daarbij zelf een regisseur voordraagt, is dat niet voor niets: de auteur heeft kennelijk een heldere opvatting waarbinnen haar werk het best tot zijn recht zou komen. Een beeldhouwer wiens beeld achter een schroothoop naast de A28 is beland, zal bij een volgend overleg met partijen zijn invloed op die uitvoeringspraktijk zoveel mogelijk proberen te doen gelden. Iedere kunstenaar moet voor zijn autonome werk de optimale omstandigheden zien waar te maken: zo niet, dan diskwalificeert hij zich en blijft hij amateur.
Heel anders werkt het binnen een opdrachtsituatie: daarin zijn de omstandigheden tevoren door anderen bepaald. Wil de kunstenaar – lees: schrijver – met die vooraf bepaalde parameters werken, dan neemt hij of zij de opdracht onder die omstandigheden aan, en al blijft het altijd spannend in hoeverre hij zich kan vinden in het uiteindelijke Gesamtkunstwerk, toch kan hij blij zijn als hij daarin zijn artistieke signatuur herkent of zelfs versterkt ziet.
Doen alsof in een autonome situatie de kunstenaar zijn opdracht niet naar behoren heeft volbracht vanuit een reeks verkeerde aannames, en deze bovendien hanteren bij auteurs die geen enkele ervaring met het genre hebben, zoals Klamer zelf toegeeft te hebben geworven, en die dus nauwelijks kennis hebben van de vele complexe factoren die samen tot een voorstelling moeten leiden, werkt voor alle partijen destructief. Het levert alleen nog meer romanschrijvers en dichters die gillend weglopen om zich nooit meer in de buurt van een gezelschap of groep te begeven.
Dat is doodzonde, want daarmee blijft een interessante ideeënkamer gesloten. En Klamer? Die beperkt zich vanaf nu tot de klassiekers, tot de usual suspects en tot wat zich in de kleine zaal al heeft bewezen.
Ja, het is me wat, risico’s nemen. Ik moet er in dit verband op wijzen dat de resultaten die Klamer nu oppikt afkomstig zijn van groepen en producenten die in de kleine zaal jaren achtereen hebben geïnvesteerd. Risico nemen is op die plaats een vorm van mentaliteit, waaruit een specifieke ambachtelijkheid voortvloeit. Dat werkt niet andersom, getuige de mislukte herneming van Rob de Graafs Geslacht in de grote zaal. Cherry-picking is een praktijk die, zoals iedere ondernemer die zijn toekomst borgt weet, op de lange termijn niet loont. Nog maar eens aan de bak, dus. Misschien eens in de kleine zaal, om te weten waar dat toch vandaan komt, die onmiskenbaar oninwisselbare stukken. Een stuk minder chic, maar dan heb je tenminste wat.
Troebele hemel
Het is mooi dat een artistiek verantwoordelijke als Klamer het tot zijn missie heeft gemaakt Nederlands repertoire te brengen. Ik kan niet anders dan dat van harte toejuichen. Maar natuurlijk is het genre niet voor iedereen weggelegd. En uiteraard zijn schrijvers lange tijd en vele malen schofteriger behandeld dan de eerste de beste dienstdoende technicus, zodat daarmee nog een bijbeldik pijndossier zou kunnen worden gevuld. Dat doe ik hier nu niet. Waar het om gaat is dat in de hedendaagse praktijk veel meer interpretaties, tradities en soorten samenwerking bestaan dan zich aan Klamers troebele hemel aftekenen. In die praktijk heeft een auteur een wisselende functie, van autonoom leverancier van literaire teksten tot medemaker van voorstellingen, en kent de theatertekst verscheidene registers. Regisseur Guy Cassiers steekt zijn energie liever in dode auteurs om zijn ideeën over de wereld aan een groot publiek te verbinden, wat voor de levende romanciers jammer mag heten; toch toont het aan dat het karakter van een theatertekst niet op voorhand vaststaat, wat Klamer en de zijnen ook mogen beweren. Zijn collega Ivo Van Hove bewerkt bestaande filmscripts met eenzelfde doel en boekt daarmee resultaat, in de grote zaal. Schrijfster Lot Vekemans op haar beurt is via inspanningen van ensemblespelers nu ook schrijfster voor de grote zaal, Erik-Ward Geerlings werkt al jarenlang aan zijn eigenzinnige, op de theaterwetten toegespitste taalregister – ook voor de opera.
Er is dat fundamentele onderscheid tussen de grote en kleine zaal, met elk hun karakteristieke rol en bijdragen en risico’s, maar het betekent niet de vernauwing van een definitie.
Lees in dit verband de TM van afgelopen december om inzicht te krijgen in de diverse en soms precaire plaatsen en functies van de toneeltekst en de hedendaagse schrijver. Leer hoe de laatste decennia de regisseur hier, anders dan in de Angelsaksische taalgebieden, het primaat heeft en de samenwerking met schrijvers daarom altijd een spannende, maar geen onmogelijke en onvruchtbare is. Lees ook hoe het woord repertoire recentelijk opnieuw is gedefinieerd, in plaats van klakkeloos aan te nemen dat de stukken van belangwekkende groepen nu eenmaal ‘niet bijdragen aan het nieuwe repertoire, omdat het particuliere voorstellingen zijn die niemand overneemt’, wat de suggestie wekt dat deze belangwekkende werken in feite onbetekenend zijn. Onderscheid ook welke collectieven zich wel en niet tot dat repertoire verhouden, in plaats van ze allemaal op een hoop te gooien en tezamen verantwoordelijk te houden voor de aanvoer van nieuwe Nederlandstalige teksten. Volg de Vlaamstalige periodiek Et cetera rond de materie. Lees vooral ook het essay van schrijver Stefan Hertmans, uitgesproken bij de uitreiking van de Taalunie Toneelschrijfprijs 2008, over de toneeltekst als vergeten literair genre en hoe dat zo is gekomen, en vooral wat we daaraan moeten doen. Zie wat intussen schrijversinitiatieven als onder meer het Platform Theaterauteurs en in zijn kielzog De Nieuwe Toneelbibliotheek hebben ondernomen om de toneeltekst terug te plaatsen in het literaire en theatrale discours, en daarmee de schrijver en het toneeloeuvre serieus te bejegenen.
Gouden schaal
Of daarmee het doel intussen is bereikt – een volwaardige uitwisseling tussen kunstenaars met wie afspraken worden gemaakt, net als met alle andere artistiek verantwoordelijken bij een theatervoorstelling – kan nog niet worden vastgesteld. Maar zeker nu er, mede door inspanningen vanuit het schrijversveld, nog dit jaar door het Fonds Podiumkunsten en het Nederlands Letterenfonds een nieuwe regeling wordt ontworpen die is toegespitst op de hedendaagse praktijk van de toneelschrijfkunst, is er veel meer beweging en continuïteit, en dus veel meer aanleiding tot een ter zake kundige analyse dan de enkelvoudige, mismoedige resultante dan in het genoemde Cultureel Supplement wordt gesuggereerd.
Waarde schrijver, voor een mogelijke opvoering van uw teksten hoeft u, zoals Klamer oppert, helemaal geen hoerig gedrag te gaan vertonen. Dat sleept u alleen maar mee in de put van miskenning en slachtoffergedrag. De veronderstelde kitsch van het theater moet u ook zeker niet omarmen; blijf daar zo ver mogelijk van weg. Het levert, zoals alle kitsch, alleen maar lelijkheid op. Aantreden in de kleedkamers hoeft evenmin, de acteurs zien u tegen de première trouwens liever gaan dan komen. Zoek uitsluitend serieuze partners met een kundig deurbeleid en de bereidheid jarenlang te investeren in het gesprek met u, net zoals uw gewetensvolle uitgever dat doet. Bent u uitgenodigd vanwege bewezen diensten in een andere tak van uw beroep en zulks met vijftienen tegelijk, maak direct rechtsomkeert en doe dat, uit loyaliteit met uw collega’s, met z’n allen tegelijk. Doe alleen mee wanneer de uitnodigende partij zich, samen met u, terdege heeft verdiept in de complexe en veelvormige praktijk die zegt zoveel van u te houden. Weeg deze liefde steeds weer op een gouden schaal. En lees intussen, ter inspiratie en hartversterking, de prachtvolle teksten die hedendaagse en zeer diverse auteurs ons hebben gebracht, in spannende omarming met de uitvoerders ervan. Er is hoop.
Marian Boyer schrijft romans en verhalen, tot 2001 ook toneelteksten. Zij is onafhankelijk lid van een werkgroep die een nieuwe subsidieregeling van het Fonds Podiumkunsten voorbereidt, toegespitst op gevorderde theaterauteurs. Deze subsidieregeling is het resultaat van een samenwerking tussen het Fonds Podiumkunsten en het Nederlands Letterenfonds en wordt vanaf 2010 gefaseerd ingevoerd. Vanaf mei dit jaar kunnen gevorderde theaterauteurs een beurs aanvragen voor werk waarbij de artistieke impuls bij de auteur zelf ligt. Het is de bedoeling de aanvraagmogelijkheden in 2011 uit te breiden met een stimuleringsregeling voor opdrachtgevers, gevolgd door een regeling voor theaterauteurs in residency.
www.fondspodiumkunsten.nl